Voor volwassenen hanteert de World Health Organization (WHO, 1995) als grenswaarde voor ondergewicht een BMI van 18,5 kg/m2. Meer in detail uitgewerkt: bij een BMI tussen 18,5 en 17,0 kg/m2 spreekt de WHO van mild ondergewicht, bij een BMI tussen 17 en 16 kg/m2 van matig ondergewicht en bij een BMI kleiner dan 16 kg/m2 van ernstig ondergewicht (WHO, 1995).

De grenswaarden voor de BMI bij ouderen moeten met de nodige voorzichtigheid worden gehanteerd. Bij het ouder worden neemt men een daling van de lichaamslengte waar. Dit impliceert dat indien er geen verandering in gewicht optreedt, er automatisch een stijging van de BMI wordt waargenomen. Uit de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) blijkt de totale daling van de lichaamslengte tussen de leeftijd van  65 tot 90 jaar gemiddeld 3 cm (mannen) en 5 cm (vrouwen) te bedragen en lijkt dat te leiden tot een gemiddelde stijging van de BMI van rond de 1½ kg/m2 (vrouwen) en rond de 1 kg/m2 (mannen) (Visser & Deeg, 2007).

Om die reden wordt in sommige studies aangehaald dat voor ouderen een aangepaste grenswaarde voor de BMI moet gebruikt worden (Cook et al., 2005). De grenswaarden die worden voorgesteld zijn sterk uiteenliggend en een consensus is moeilijk te bepalen (Stratton et al., 2003; Sergi et al., 2005; Halfens et al., 2011).

Consensus

Een hoge of normale BMI bij ouderen is geen garantie voor een goede voedingsstatus. Ook ouderen met overgewicht kunnen ondervoed zijn. Daarom moet bij de evaluatie van de voedingstoestand niet alleen rekening gehouden worden met de BMI, maar ook  met het percentage gewichtsverlies.

Wij nemen BMI geriatrie tussen 23-27. De wekelijkse gewichtsevolutie opvolgen is belangrijker.

Bron: Voedingsrichtlijnen geriatrie afdeling diëtiek ZNA 09/08/2016

Auteur: Mireille Bonnen 2019
Meer info? mireille.boone@zna.be

Was this answer helpful ? Yes / No